EVZ Laarsenberg

Contact: Han Runhaar.

EVZ Laarsenberg – Utrechtse Heuvelrug, stand van zaken november 2006

Geschreven door Han Runhaar
vrijdag, 26 januari 2007

 

1 Inleiding

Deze notitie is bedoeld als aanzet voor de verdere invulling van de Ecologische Verbindingszone Laarschenberg-Utrechtse Heuvelrug en is tevens bedoeld om externe deskundigen te informeren over het hoe en waarom van de verbindingszone. In de notitie wordt een overzicht gegeven van de stand van zaken rond de aanleg van de geplande Ecologische Verbindingszone, wordt een overzicht te geven van mogelijke knelpunten, en worden suggesties gedaan hoe de verbindingszone concreet ingevuld zou kunnen worden.

2 Status EVZ

In het Natuurgebiedsplan uit 2001 voor de Gelderse Vallei stond aanvankelijk een  ecologische verbindingszone aangegeven door De Kampen bij Achterberg. Vanwege bezwaren van de gemeente Rhenen tegen de ecologische verbindingszone door De Kampen is het plan in 2003 herzien voor het deelgebied Binnenveld. Daarbij is de verbindingszone door De Kampen (I) vervangen door twee nieuwe verbindingszones, te weten een noordelijke verbindingszone ter hoogte van de Noordelijke Meentsteeg (I) en een zuidelijke verbindingszone Grebbeberg-Laarschenberg-Utrechtse Heuvelrug (K) (figuur 1).
Figuur 1. Ligging verbindingszones I en K volgens herziening natuurgebiedsplan uit 2003.

 

In het reconstructieplan voor de Gelderse Vallei/Utrecht-oost (2005) staat de noordrand van Rhenen aansluitend op de Laarserberg, aangegeven als ‘zoekgebied robuuste verbinding’. Op pagina 93 van het plan staat aangegeven dat ‘de robuuste verbinding in 2005 wordt begrensd conform de methode van natuurgebiedsplannen met 1 op 1 begrenzingen, zoekzones en vaststelling natuurdoelen en locaties van ecopassages’, en ‘dat als definitieve begrenzing heeft plaatsgevonden de netto-zones zullen worden opgenomen in de streekplannen, hetzij direct, hetzij via een uitwerking van het streekplan’. Inmiddels heeft een begrenzing van de ‘nieuwe natuur’ die deel moet uitmaken van de verbindingszone plaatsgevonden, en deze is opgenomen in het ontwerp voor het nieuwe Natuurgebiedsplan voor de Gelderse Vallei (figuur 2).

Figuur 2 Concept voorstel voor begrenzing EHS rond Rhenen zoals (met enkele kleine wijzigingen) opgenomen in het ontwerp Natuurgebiedsplan voor de Gelderse Vallei.

 

3 Doelstelling EVZ

Doel van de ecologische verbindingszone Laarschenberg-Utrechtse Heuvelrug is om de de Grebbeberg en de Laarschenberg weer met de rest van de Utrechtse Heuvelrug te verbinden. Daarvan is is het nu door de bebouwing van Rhenen en door de aanwezige infrastructuur (spoorweg Rhenen-Veenendaal, Lijnweg) van gescheiden. Als ‘gidssoorten’ werden door Marjan Visscher van de provincie Utrecht in een toelichting op de verbindingszone tijdens een lezing op 22 april 2004 genoemd: Oranjetip, Blauw Vliegend Hert, Boommarter, Vleermuizen, Ree, Das en Hermelijn. In het reconstructieplan is het gebied tussen Rhenen en Achterberg ook opgenomen als zoekgebied voor een robuuste ecologische verbindingszone tussen de Veluwe en de Utrechtse Heuvelrug, waarbij het Edelhert als doelsoort wordt genoemd. Bij de uiteindelijke uitwerking van de robuuste ecologische verbindingszone is er echter voor gekozen om tussen Laarschenberg en Utrechtse Heuvelrug slechts een smalle

verbindingszone aan te leggen (figuur 2). Daarmee is de ambitie om dit een gebied een functie te laten spelen als verbindingszone voor groot wild de facto verlaten.

Omdat de EVZ Laarschenberg bedoeld is als verbinding tussen twee bosgebieden is de structuur van de verbindingszone van groot belang: er moet voldoende bos aanwezig zijn zodat ook bossoorten veilig door het gebied kunnen trekken. Voor boombewoners als boommarter en eekhoorn is de aanwezigheid van voldoende oude en dicht bijeenstaande bomen extra belangrijk omdat deze zich bij voorkeur van boom tot boom verplaatsen en open gebieden mijden.

De EVZ is in de eerste plaats bedoeld om de Grebbeberg en de Laarschenberg te verbinden, maar kan in de toekomst ook een belangrijke rol spelen in de verbinding tussen de Veluwe en de Heuvelrug. Zo zou de EVZ Laarschenberg een belangrijke rol kunnen spelen in de verbinding van populaties van de Boommarter op de Utrechtse Heuvelrug met die op de Veluwe via de Grebberg en de uiterwaarden van de Rijn (figuur 3). Op de Heuvelrug komt een vaste populatie boommarters voor die zich ook voortplant, onder meer op het landgoed Remmerstein. Ook op de Grebbeberg worden zo nu en daan boommarters aangetroffen, maar er zijn geen waarnemingen die wijzen op voortplanting in het gebied. Een levende Boomarter is waargenomen in de Blauwe Kamer, daarnaast zijn aangereden exemplaren gevonden langs de Grebbeweg en de Lijnweg (mond. informatie Utrechts Landschap, Tjitske Lubach). De laatste vondst geeft aan dat een veilige verbinding tussen de Laarschenberg en de Utrechtse Heuvelrug geen overbodige luxe is.

Figuur 3. Atlashokken waar geslachtsrijpe boommarters zijn gevonden in de periode 1982-2001.Uit: Müskens e.a. 2004.

 

4 Invulling EVZ, knelpunten en mogelijke oplossingen

Omdat de EVZ Laarschenberg in de huidige begrenzing te smal is om een functie te kunnen vervullen als verbindingszone voor groot wild, en omdat hoofddoelstelling van de EVZ de verbinding tussen twee bosgebieden is, zal de inrichting van de verbindingzone zich moeten richten op bosdieren. Omdat de Boommarter naar verwachting een van de meer kritische soorten is, en omdat de EVZ voor de Boommarter een belangrijke schakel kan vormen voor verbinding tussen Veluwe en Utrechtse Heuvelrug, wordt vanuit de WMR voorgesteld om deze soort centraal te stellen en bij de invulling van de verbindingszone uit te gaan van de eisen die deze soort stelt. Naar verwachting zal een verbindingszone die voor deze soort geschikt is ook voor veel andere kleinere bosdieren geschikt zijn. Alleen bij de ecopassages zal dit niet het geval zijn: voor boombewonende soorten als Boommarter en Eekhoorn zijn daar andere voorzieningen nodig dan voor bodembewonende dieren.

Voor de Boommarter gelden de volgende ontwerpeisen:

a) Geleiding naar ecopassage

Boommarters laten zich volgens de brochure van de VZZ (2005) niet door hekken geleiden (daar klimmen ze overheen) dus moeten ze door de structuur van het landschap naar de passage geleid worden. Uit onderzoek naar verkeersslachtoffers blijkt dat de meeste slachtoffers vallen op plekken waar aan weerszijden van de weg bos voorkomt (Müskens et al. 2003). Daaruit kan worden afgeleid dat de aanwezigheid van bos aan weerszijden van de weg belangrijk is. Er moet dus voor gezorgd worden dat (1) waar de EVZ de Lijnweg passeert aan beide kanten bebossing aanwezig is die doorloopt tot aan de weg, en dat (2) op andere plekken het bos juist níet doorloopt tot aan de weg.

b) Aard ecopassages

Helaas valt over de aard van de ecopassage nog weinig met zekerheid te zeggen. Het beste zijn ecoducten over de weg maar dat is een dure en ingrijpende maatregel. Bij de A12 bij Driebergen wordt geëxperimenteerd met een bovengrondse houten ecopassage die is aangebracht in een wegportaal. Het is nog niet bekend of deze ook daadwerkelijk gebruikt wordt. Ook is niet bekend of boommarters gebruik maken van (dassen)tunnels[1].

[1] Voor bodembewonende dieren zullen in ieder geval als aanvulling op de boompassages tunnels nodig zijn.

c) Aard bebossing

Het leefgebied van boommarters bestaat uit oud bos, en voor de voorplanting is het van belang dat er voldoende oude bomen zijn met gaten gemaakt door Zwarte en Groene specht.  Voor de migratie kan ook worden volstaan met houtwallen en bosjes. De brochure van de VZZ meldt hierover het volgende: “Boommarters zijn tamelijk ongevoelig voor verstoring door mensen, dus het aanleggen van een tien meter brede beboste strook langs een verharde of onverharde weg kan al een prachtig verbindend element vormen. Maar ook een verhoogde houtwal met veel braamondergroei, bijvoorbeeld langs een perceelsgrens dwars door open land, kan goed voldoen.” De te gebruiken boomsoorten zijn waarschijnlijk minder van belang. Volgens Monique Bestman van de Werkgroep Boommarters zijn ook sparrenbosjes heel geschikt omdat ze een goede dekking geven.

Om na te gaan op welke wijze aan deze ontwerpeisen kan worden voldaan is op 10 mei 2006 een excursie gehouden met Monique Bestman van de Boommarterwerkgroep van de de Vereniging voor Zoogdierkunde en Zoogdierbescherming (VZZ), en Marjan Visscher van de SVGV. Tijdens de excursie zijn een aantal suggesties en vragen de revue gepasseerd die in figuur 4 genummerd staan aangegeven:

Figuur 4. Suggesties en vragen t.a.v aanleg EVZ-Laarschenberg. Uitleg nummers in de tekst.

 

  1. Als besloten wordt tot de aanleg van een fietsbrug tussen Levendaalseweg en Stationsstraat, zoals eerder bepleit door de Progressief Rhenen, dan zou deze brug gecombineerd kunnen worden met een ecologische passage in de vorm van een begroeide zijgoot en/of een houten zij- of onderconstructie geschikt voor passage van boomdieren.
  2. In de huidige situatie is er geen verbinding tussen het Laarschenbos en de Boslandweg. Door het planten van bomen/struiken of de aanleg van een boomgaard aansluitend op bestaande boomgaard van R. Moret kan hier alsnog een verbinding worden gecreëerd.
  3. Om de geplande dwarsverbinding (5) te bereiken dient er aan de oostzijde van de geplande bebouwing aan de Boslandweg beschutting aanwezig te zijn. Een bomenrij of houtwal al dan niet in combinatie met wandelpad zou een mogelijkheid vormen om beschutting te creëren. Dit kan overigens conflicteren met het door de projectontwikkelaar beloofde vrije uitzicht op de akkers van de Laarschenberg.
  4. In het gebied liggen een aantal restanten van graften die weer opnieuw ingeplant zouden kunnen worden met bomen en struiken om extra verbindingsmogelijkheden te creëren. Omdat de wens bestaat om het uitzicht op de Laarschenberg te behouden bestaat er geen mogelijkheid om brede houtwallen aan te leggen met hoge bomen en zal de bijdrage aan de verbindingszone dus naar verwachting beperkt zijn.
  5. Naar aanleiding van de zienswijze van de WMR ten aanzien van de voorgenomen bouw van woningen langs de Boslandweg-oost is door de gemeente na overleg met Scheffer projectontwikkeling toegezegd om halverwege de bebouwing een bosstrook van 10 m breed aan te leggen die aansluit op:
  6. Een bestaand driehoekig bosperceeltje dat onderdeel uitmaakt van de geplande verbindingszone.
  7. De bestaande akker ten zuiden van het ambachtelijk industrieterrein zou kunnen worden aangeplant met bos, zodat hier samen met het bestaande bos (6) een aantrekkelijk ‘stapsteen’ halverwege de verbindingszone ontstaat. Voor extra beschutting zouden hier deels ook sparren aangeplant kunnen worden.
  8. Langs de Boslandweg is nog een verbinding nodig met de geplande dwarsverbinding ten noorden van het ambachtelijk industrieterrein (10). Om het uitzicht op de Laarschenberg niet weg te nemen zou deze verbinding idealiter bestaan uit een beplanting langs de weg met hoge laanbomen (bv beukenlaan, aansluitend op bestaande laanbegroeing met beuken langs zuidelijker gelegen deel Boslandweg). Volgens Monique is het echter beter een bosstrook of houtwal iets verder van de weg aan te leggen, om verkeersslachtoffers op de Boslandweg te voorkomen.
  9. De onlangs aangekochte boerderij aan de Boslandweg ligt midden in de geplande EVZ. De bedoeling is dat de boerderij wordt gesloopt om het gebruik als EVZ mogelijk te maken. Daarbij is er van uit gegaan dat de EVZ ook voor grotere dieren als Edelhert, Das en Ree bruikbaar moet zijn. Voor de boommarter is sloop van de boerderij geen voorwaarde omdat de soort goed in staat is kleine open stukken over te steken en aanwezigheid van losse bomen (bv in de vorm van een boomgaard) al voldoende is.
  10. Ten noorden van het ambachtelijk industrieterrein is een bosstrook van 15 meter gepland.
  11. Hoe een faunapassage over of onder de Lijnweg het beste kan worden gerealiseerd is nog onduidelijk en hierover kan waarschijnlijk beter worden besloten nadat het experiment met de faunapassage bij Driebergen is geëvalueerd. Op grond van de bestaande kennis is wel duidelijk wáár de passage het beste aangelegd zou kunnen worden. Zoals in 2a aangegeven dienen de dieren geleid te worden door de structuur, waarbij de faunapassage dient te liggen op een plek waarbij bosgebieden/beboste gebieden aan weerszijden doorlopen tot aan de weg. De meest logische route, die aansluit op de geplande bosstrook bij 10 en de dichtstbijzijnde bosbegroeiing ten westen van de Lijnweg, is op de kaart met nummer 11 aangegeven. Hier zou aan weerszijden van de Lijnweg dus bebossing moeten worden aangelegd die doorloopt tot aan de weg. Bij een bovengrondse verbinding (via wegportaal, touwen of balken) zou de te overbruggen afstand kunnen worden verkleind door een verkeerseiland tussen twee vrijliggende weghelften aan te leggen met daarop een paar volwassen bomen. Voor bodembewonende dieren zou aanvullend een tunnel moeten worden aangelegd.
  12. Langs de spoorbaan zou ook bebossing kunnen worden aangelegd om er voor te zorgen dat (a) dieren ook aan de westzijde van het ambachtelijk industrieterrein kunnen passeren en om (b) één aaneengesloten beboste verbindingszone langs het spoor te creëren zodat er ook een verbinding richting Veenendaal ontstaat.

Bij deze suggesties is uitgegaan van een ‘vingerconcept’ waarbij er vanuit de Laarschenberg meerdere mogelijke migratieroutes zijn om bij de Heuvelrug te komen. Omdat het gedrag van de dieren moeilijk voorspelbaar zijn en de routes tamelijk smal is het veiliger om niet op één mogelijke route in te zetten.

Terug naar boven